We hebben een laatste afspraak in Caïro. Ramz, de paranoia leraar, wacht ons ’s ochtends op aan het hotel met de zin “I have good programme for you. U will be very happy”. We kijken elkaar verstaanbaar aan en laten ons een laatste keer op sleeptouw nemen. Eerst wil hij thee gaan drinken. Een kleine thee kan er even af denken we, nadien moeten we echt aan het werk. Hij gaat akkoord. Een tweede thee is nodig zegt hij en de koffie die hij ook nog wil bestellen wijzen we vriendelijk af. Het duurt ook even om duidelijk te maken dat we om 9u ‘smorgens nog geen Sjeesja hoeven, ondanks dat we buitenlanders zijn.

We nemen een taxi want Ramz neemt ons mee naar een school in een nabijgelegen buurt. We vragen hem een witte taxi te stoppen want die zijn goedkoper maar hij houdt het been stijf want “he knows how to talk to people from his country”. De taxirit blijkt duurder, zoals we vreesden. De man is koppig merken we al snel. Aangekomen bij de school spreekt hij de twee dames aan de deur kordaat aan en beiden fronsen. We zien hem gebaren maken die een baby wiegen. Het lijkt goed te zitten. Hij snapt wat we willen. We horen de dames het woord ‘headmaster’ gebruiken, een man die een beetje later opduikt. De headmaster kijkt ons niet eens aan en begroet ons niet. We begrijpen de situatie even niet. Ramz en de headmaster beginnen luider en luider tegen elkaar te praten. We verstaan helaas niets buiten de geagiteerde toon van beiden. Dan opeens zien we de headmaster een duidelijk gebaar maken dat we weg moeten. Ramz roept ons hard bij zich maar we weigeren hem te volgen. We vragen de dames in het Engels (dat ze volgens Ramz niet spraken) wat er aan de hand was en hij blijkt hen allen beledigd te hebben omdat ze ons niet willen helpen. We staan machteloos en excuseren ons tot grote ergernis van Ramz. ‘Don’t talk to this people!’. Terug op straat wandelen we door naar een volgende school. De zuster die ons ontvangt spreekt Frans wat ons oplucht. We vragen Ramz om ons even te laten uitspreken om onze uitleg te kunnen doen aan de zuster. Doorheen het ganse gesprek valt hij ons in de rede en dringt hij bij de zuster aan dat ze voor ons zou zingen terwijl wij in alle rust ons project proberen uit te leggen. Ondanks dat Ramz ons wil helpen, beginnen wij langzaam ons geduld te verliezen alsook de laatste kansen op liedjes. De zuster kan ons niet verder helpen want alle leraars zijn reeds met vakantie. Het maakt Ramz kwaad en hij zet pas naar buiten.
Op straat spreekt hij twee dames aan, weer op kordate toon. Ze giechelen en maken duidelijk dat ze verlegen zijn en liever niet zingen (verstaan wij uit hun lichaamstaal). Ramz scheldt hen uit voor ‘stupid people’ en wij blijven vol schaamte staan. Ook hier proberen we onze verontschuldigingen aan te bieden wat gelukkig werkt. We hebben er genoeg van. Dit kan onmogelijk lukken zo. We stoppen een bus, nemen afscheid van onze bruuske vriend en spoeden ons naar de shipping firma om met pijn in het hart té veel geld op te hoesten. Het is zo, niets aan te doen besluiten we. De laatste Egyptische ponden worden besteed aan een deugddoende maaltijd met Sakara.